Kennis leidt tot voorsprong

Tripsschade komt in veel gewassen voor. Schade is op verschillende manieren in de hand te houden, al blijkt het in de praktijk nauwelijks mogelijk om een gewas volledig te vrijwaren. Inzicht in de leefwijze van trips en mogelijke maatregelen helpt om om schade te beperken.

Soorten en leefwijze

Tripsen komen over de gehele wereld voor. Van de ongeveer 5000 bekende soorten veroorzaken slechts een paar honderd soorten schade aan gewassen. De meeste economische schade wordt door slechts vier soorten veroorzaakt, waaronder Thrips tabaci en de Californische trips. In de buitenteelt wordt vooral de Thrips tabaci aangetroffen. Bij het zoeken naar een geschikt voedselgewas gaat trips voornamelijk op kleur en geur af. Factoren zoals de eigenschappen van het bladoppervlak en het ontwikkelingsstadium van de plant bepalen of de trips blijft zitten. Zo ja, dan prikt de trips met monddelen enkele cellen aan. De samenstelling van de plantensappen bepaalt mede of de trips zich daadwerkelijk gaat voeden of vertrekt op zoek naar ander voedsel. Er zijn meer dan 100 wilde en cultuurplanten beschreven waarop Thrips tabaci zich.

Levenssyclus

Tripseieren zijn erg klein, circa 0,25 mm lang en 0,1 mm breed. Vers gelegd zijn ze wit, ze kleuren later lichtgeel. Eieren worden meestal afzonderlijk gelegd in het plantenweefsel en zijn daarom zeer moeilijk waarneembaar. De eerste en tweede larvenstadia zijn nog erg klein (0,5 tot 1,2 mm), langwerpig, slank en varièˆren in kleur van bleekgeel tot oranje of rood, naargelang de soort. Ze lijken op miniatuurversies van de volwassen trips, maar hebben geen vleugels. Deze larven voeden zich op de plant en verplaatsen zich daar slechts heel beperkt. Voorpoppen en poppen zijn tussenvormen van de larve en de volwassenen; tijdens deze fasen zijn trips inactief, voeden zich niet en veroorzaken dus geen schade aan de plant. Verpopping kan optreden op de plant of in de bodem, afhankelijk van de soort. Het vermoeden bestaat dat poppen van Thrips tabacivoornamelijk in de grond verpoppen.

De ontwikkeling Thrips tabaci van ei tot volwassen insect duurt, afhankelijk van de temperatuur, ongeveer 10 tot 30 dagen. De volwassen vrouwtjes zijn direct in staat eitjes af te zetten, paring met een mannetje is dus niet noodzakelijk. Vooral in perioden met warm en droog weer kan de populatie daarom erg snel toenemen. Zware regenval daarentegen, leidt meestal tot een sterke vermindering van het aantal tripsen in de plant. Overwintering vindt plaats als volwassen insect op beschutte plaatsen; in de grond, onder schors, tussen plantenresten en op planten als wintergranen, luzerne en onkruiden. Ook in kassen kunnen tripsen overwinteren.

Waarnemen

Volwassen tripsen zijn klein, ongeveer 2 mm lang en lichtschuw. De eerste tripsen in de planten zijn daarom lastig waar te nemen. Goede monitoring is belangrijk om de ontwikkeling te kunnen volgen. Dit kan met gele of blauwe vangplaten, al of niet voorzien van een dispenser met een lokstof. Op deze platen worden verschillende soorten tripsen waargenomen, ook tripsen die nauwelijks in het gewas voorkomen en geen schade veroorzaken. De tripsontwikkeling op de vangplaten loopt wat voor op de ontwikkeling van de trips in de plant. Een andere mogelijkheid is om gebruik te maken van een tripsvoorspeller die aan de hand van weersfactoren de ontwikkeling van trips in aardbeien voorspelt. Vooral aan het begin van het seizoen, wanneer de tripspopulaties nog niet door elkaar heen lopen, kan je zien wanneer een kritische periode wordt verwacht. De beste methode is echter kijken in het gewas.

Natuurlijke vijanden

Tripsen hebben veel natuurlijke vijanden zoals zweefvliegen, gaasvliegen, sluipwespen, enz. Op de aangetaste planten worden echter erg weinig natuurlijke vijanden waargenomen. In gewassen in Nederland zijn de volgende natuurlijke vijanden waargenomen: spinnen, roofmijten, kortschildkevers en larven van de galmug en gaasvlieg in zeer geringe aantallen. Een aantal natuurlijke vijanden worden voor teelten onder glas gekweekt en door telers ingezet om deze plaag beheersbaar te houden.

Bron: biokennisnet